De Brusselse oudere

Bevolkingsstructuur

Brussel heeft een jongere bevolking dan Vlaanderen en Wallonië. Dat komt vooral door de internationale migratie, waardoor het aantal jongeren fors toeneemt. Het percentage inwoners ouder dan 65 jaar nam de laatste jaren zelfs af. Toch zijn er in Brussel heel veel hoogbejaarden van 85 jaar en ouder, de leeftijd waarop de zorgbehoefte het grootst is.

Bevolkingspronose

Het aantal 65-plussers in Brussel blijft min of meer stabiel tot in 2021. Daarna zal hun aantal aanzienlijk stijgen en zullen ze ook een groter aandeel van de totale bevolking vormen.
Tussen 2000 en 2050 stijgt de totale bevolking in Brussel met 14 %. Dat is sneller dan in Vlaanderen of Wallonië.
Tegen 2040 is ongeveer 1 op 5 Brusselaars een 65-plusser. Hun aantal wordt geraamd op 222.156.
Tegen 2040 zal het aantal 80-plussers met bijna 70% toenemen, vergeleken met het jaar 2000.

Thuiswonende ouderen

Ongeveer 184.000 Brusselaars ouder dan 60 jaar wonen thuis. Dat aantal daalt met de jaren. Vanaf hun 85 jaar verhuizen steeds meer ouderen naar een woonzorgcentrum.
Tussen 75 en 79 jaar leeft nog 95 % van de ouderen thuis.
Tussen 85 en 89 jaar is dat 74 %.
Tussen 90 en 94 jaar is dat 55 %.
Na 95 jaar is dat slechts 19 %.

Gezondheidstoestand

De Brusselse bevolking tussen 65 en 85 jaar is gezonder dan de Waalse, maar minder gezond dan de Vlaamse.

Socio-economische status

Wie met pensioen gaat, ziet zijn inkomen meestal dalen. Het gemiddelde pensioen in Brussel is 1.140 euro bruto per maand. Dat gemiddelde verbergt uiteraard grote verschillen en zegt ook niets over een eventueel gespaard vermogen.
Als het inkomen daalt, verschuift ook een bestedingspatroon. De uitgaven voor huisvesting en gezondheid wegen voor ouderen zwaar door. Alleenstaanden die geen eigen woning hebben, zijn financieel erg kwetsbaar.

Allochtone ouderen

Het aantal allochtone ouderen neemt toe. Tegen 2020 is meer dan één op drie Brusselse 65-plussers van niet-Belgische afkomst. Tegen 2015 stijgt in Brussel het aantal Italiaanse 60-plussers met 227 procent, het aantal Marokkaanse met 311 procent en het aantal Turkse met 314 procent. Deze ouderen zullen steeds meer beroep doen op formele zorg, als aanvulling op de informele zorg of als vervanging ervan. Die vraag zal exponentieel toenemen. Zo treden ouderdomskwalen meestal vroeger op bij allochtonen dan bij autochtonen.
De zorgsector is daar niet op voorbereid. Professionele zorgverstrekkers bereiken deze doelgroep amper. Allochtone ouderen en de zorgsector moeten elkaar beter leren kennen. Dat zal van beide partijen een inspanning vergen. Een pluspunt daarbij is dat in veel voorzieningen steeds meer verplegend personeel van allochtone afkomst is. Dat zal zonder twijfel tot een beter begrip voor de allochtone noden leiden.

  • Vandaag zijn noch de residentiële zorg, noch de thuiszorg afgestemd op ouderen met een andere culturele achtergrond. Zij zullen daarin moeten investeren.
  • Door hun gebrekkige kennis van het Nederlands vinden allochtonen zelden de weg naar een Vlaamse zorgvoorziening. Zonder extra informatie, preventie en bewustmaking zal dat ook niet lukken.
  • Er moeten nieuwe, aangepaste zorgvormen komen. Daarin is ook een taak weggelegd voor de woonzorgzones. De Conceptnota Cultuurgevoelige ouderenzorg in Brussel schetst daar de contouren van.